Een vrijwilliger in fictieve dienstbetrekking
jan
30

Een vrijwilliger in fictieve dienstbetrekking

“Er was eens…”. Zo beginnen heel veel sprookjes en dat zijn nagenoeg altijd fantasieverhalen. In dit geval is daar geen sprake van, want er was iemand met een heel groot hart voor de medemens. Na een HBO-opleiding verpleegkunde en een BIG-registratie ging ze als een soort Moeder Theresa aan de slag. Ze bood onbaatzuchtig zorg aan ouderen, die echt hulpbehoevend waren en reikte een warme hand aan andersvalide mensen met een medische hulpvraag. Op die manier werd ze in haar dorp bekend.

Door haar manier van doen ontstond er een soort fanclub, een supportersvereniging die haar zowel financieel als materieel met van alles ondersteunde. De activiteiten die ze dag in, dag uit van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aan de dag legde, dwongen in de gehele dorpsgemeenschap diep respect af. Zodoende kwam een van de notabelen uit het dorp op het slimme idee om voor haar activiteiten een stichting op te richten. Met die stichting zou men op een professionele manier haar werk nog beter kunnen ondersteunen. Een andere betrokkene bedacht dat die stichting als zorginstelling aan de slag moest gaan. De notaris hoorde het verhaal en hij verzorgde op een vaktechnisch solide manier, maar helemaal gratis, de oprichting van een stichting met perfecte statuten. Er werd een stichtingsbestuur van vrijwilligers bij elkaar getrommeld. Ook de noodzakelijke raad van toezicht werd gevormd door betrokken vrijwilligers. Het devies was dat iedereen er onbetaald de schouders onder zou zetten om betaalbare zorg voor de hulpbehoevende medemens in het dorp te realiseren. De vrijwilligers waren het er over eens dat onze harde werkster wel een salaris moest hebben in overeenstemming met de cao voor de zorg. Tot zover ging het verhaal helemaal goed, zoals dat in een sprookje hoort te gaan.

Na de oprichting werd de zorg door de stichting verstrekt. De stichting kreeg daarvoor betaald op basis van persoonsgebonden budgetten en op basis van afspraken met het zorgkantoor vanwege geboden zorg in natura. Het bleek echter dat de ontvangsten van de stichting wat groter waren dan de kosten die gemaakt werden. Dat was mede te danken aan de inzet van alle vrijwilligers. Na ruim drie jaar besloot het bestuur om, bij wijze van uitzondering, eenmalig een vergoeding van € 250,-- voor alle onkosten te geven aan iedere vrijwilliger die deelnam aan de raad van toezicht. Deze vrijwilligers waren aangenaam verrast door deze geste. Hun inzet was immers niet gericht op enige vergoeding want met hun vrijwilligerswerk dienden zij een hoger doel.

Het jaar daarop volgende een steekproefsgewijs boekenonderzoekje van de Belastingdienst dat was gericht op de afdracht van de loonbelasting. De controleur zat ruim een dag te pluizen in de boeken totdat hij toch iets gevonden had. Er was namelijk geen loonbelasting afgedragen over de betaling aan de leden van de raad van toezicht. Volgens de voor dat jaar geldende tekst van de Wet op de loonbelasting 1964 waren de leden van de raad van toezicht in fictieve dienstbetrekking. Er moet dus een naheffing over deze uitbetaling volgen en, bij wijze van uitzondering, is de controleur bereid af te zien van een boete.